Oud bestuur – deel 1: missers en slordigheden

Er is een boek geschreven over de waterschappen! Een jaar lang wat Theo Dersjant ‘ongenode gast’ bij het waterschap Rivierenland in Tiel. ‘Voor professionals die zich bezighouden met politieke besluitvormingsprocessen (…) en voor geïnteresseerden in diezelfde politiek, is dit boek over waterschappen een aanrader,’ schrijft Monique Leyenaar, hoogleraar Vergelijkende politicologie in het voorwoord. Ik kan het beamen: het is een interessant boek, waaruit vele lessen zijn te halen voor de waterschappen. Ook geeft het een mooie aanleiding om te filosoferen over de plaats van de waterschappen in het bestuurlijke bestel en over de toekomst van deze bestuurslaag. Ik ga daar op deze site over schrijven.

Om niet te verzanden in een oeverloos stuk, zal ik mijn bespreking over meerdere afleveringen verdelen, met elk een thema. Waar te beginnen? Ik zou zeggen, eerst het zuur, dan het zoet, om een voormalig minister-president aan te halen. Dit eerste deel bevat mijn belangrijkste kritische noten ten aanzien van dit boek. Dan hebben we dat maar gehad en kunnen we het daarna over de inhoud hebben.

De wereld van de waterschappen is voor niet-ingewijden moeilijk te vatten, schrijft Dersjant. Dat klopt en hij bewijst het zelf keer op keer in het boek. Zelfs na een jaar lang het waterschap te hebben bestudeerd, weet hij kennelijk nog steeds niet wat de kerntaken van de organisatie zijn. Hij meent bijvoorbeeld dat het gaat om grondwater (p. 21, p.28), terwijl de belangrijkste zorg van een waterschap (naast waterveiligheid en -kwaliteit) uiteraard het beheer van het oppervlaktewater is (waterkwantiteit of peilbeheer). Daarnaast beweert de schrijver dat Rijkswaterstaat over de primaire waterkeringen gaat en de waterschappen zich uitsluitend bemoeien met ‘secundaire dijken.’ Dit is niet waar en dus gewoon onzin. Waterschappen beheren wel degelijk primaire waterkeringen in Nederland.

Het boek barst buiten deze twee blunders sowieso van de slordigheden: Ingelanden heten soms opeens aangelanden, zelfs de datum van de waterschapsverkiezingen 2015 staat niet correct op de achterflap. Op pagina 142 wordt weer een andere datum genoemd, die al even fout is. Een andere misser is het aantal gekozen bestuurders: dat is dertig en niet eenendertig. Ook staan er zaken in die nog vóór het verschijnen van het boek achterhaald waren, zoals het aantal waterschappen en het standpunt van het kabinet Rutte-II. Oud bestuur bevat aardig wat fouten dus. En dan te bedenken dat dezelfde schrijver de auteur is van het boek Missers in de media

obAls ik als docent journalistiek zou zijn, bijvoorbeeld aan de Tilburgse journalistenopleiding, en ik zou het werkstuk van Dersjant moeten beoordelen, zou ik er qua stijl en afwerking dus geen voldoende aan kunnen toekennen; vanwege de slordigheden, maar ook om de vele herhalingen. De achtergrond van sommige personages en situaties wordt op meerdere plekken uiteengezet, soms zelfs in twee opeenvolgende hoofdstukken, zoals hoofdstuk 12 en 13. Beide gaan over Hennie Roorda en haar fractie en het lijken twee versies van een en hetzelfde stuk. Bepaalde opsommingen hebben de neiging wat saai te worden. Het is alsof de notities van het kladblok rechtstreeks in het boek zijn gekomen.

Een goede redacteur zou zich hier nuttig hebben kunnen maken. Dan heb ik het verder maar niet over de foutjes in het drukwerk van het boek, bijvoorbeeld waar het cursief dat wordt gebruikt om e-mails weer te geven (heel veel mails worden integraal afgedrukt in dit boek) vaak nog een halve bladzijde doorgaat daar waar de mail eigenlijk allang is afgelopen.

Dersjant schrijft dat hij in het begin van zijn project van de afdeling communicatie de geboortedata van de bestuurders niet kreeg. Zou het daarom zijn dat hij die geboortedata in het boek tot vervelens toe tussen haakjes achter de namen plaatst? Inmiddels vergeet ik de rest van mijn leven niet meer dat dijkgraaf Bleker is geboren in 1967, heemraad Roorda in 1972 en ‘boerenbaas’ Bikker in 1945. Herhaling is de kracht van de reclame, maar dit is wat al te veel van het goede.

Het boek heeft veel weg van een duiding van de uitkomsten van een enquête over de leeftijd, het geslacht, de gezindte, opleiding en dergelijke van waterschapsbestuurders. De ‘spannendste’ gedeelten van Oud bestuur verhalen van de strijd van de auteur met de afdeling communicatie. Tegelijk schuilt hierin ook mijn meest fundamentele bezwaar tegen dit boek. De genoemde bestuurders hebben er voor gekozen om een openbaar ambt te vervullen. Het is prima dat zij in een journalistiek werk tegen het licht worden gehouden.

Maar Oud bestuur lijkt deels ook op een afrekening met een bepaalde ambtenaar, en wel de meewerkend voorman van het communicatieteam van het waterschap. Tientallen keren wordt zijn naam genoemd in dit boek. En niet bepaald op een vleiende manier. Hij is de enige ambtenaar die het moet ontgelden. De naam van de secretaris-directeur, toch ambtelijk de eindverantwoordelijke, wordt verder niet genoemd. Dersjant kiest er zelfs voor om de dijkgraaf van Rivierenland, die bestuurlijk aanspreekbaar is op de communicatie van het waterschap, helemaal buiten schot te laten. Elke bestuurder wordt geïnterviewd, behalve de voorzitter. Alle ballen gaan op de medewerker communicatie, die telkens weer met naam en toenaam wordt genoemd. Dersjant meldt verschillende keren dat hij boos werd na ontvangst van een e-mail van de voorlichter. Probeert hij op deze manier achteraf zijn gram te halen?

Theo Dersjant schrijft dat de communicatie bij waterschappen nog niet erg professioneel is en verklaart dat door aan te geven dat er vrijwel nooit belangstelling is van kritische journalisten. Zelf is hij door de wol geverfd en geeft hij les aan journalisten in opleiding. Is het dan vreemd dat hij in een bokspartijtje tussen zichzelf en de voorlichter de laatstgenoemde alle hoeken van de ring laat zien? Is het fair om een ambtenaar, die zich niet kan verdedigen, op deze manier te kijk te zetten en diens verdere loopbaan te beschadigen? Had het op zichzelf vermakelijke gevecht tussen de journalist en de voorlichter niet prima weergegeven kunnen worden zonder zo op de man te spelen?

Bovendien is de onfortuinlijke communicatiemedewerker ook maar iemand die opdrachten van bovenaf uitvoert. Dersjant heeft kennelijk nog nooit gehoord van het adagium Don’t shoot the messenger.

Ook is snel duidelijk dat Theo Dersjant geen kaas heeft gegeten van begrippen als dualisme, monisme en andere begrippen in het lokaal bestuur. Zo kan het dat hij zich schijnbaar enorm verbaast over zaken die ook bij gemeenten nu of tot enige tijd geleden (vóór de invoering van het dualisme in 2002 bijvoorbeeld) heel gebruikelijk zijn of waren. Misschien had hij eens moeten praten met de hoogleraar die het voorwoord schreef.

Maar ondanks alle missers zou ik het boek tekortdoen als ik het hierbij zou laten. Theo Dersjant houdt de waterschappen een spiegel voor en dit levert ook veel herkenbare en vaak vermakelijke observaties op. Verder nodigt het, zoals in de inleiding gezegd, uit tot het trekken van lessen en het filosoferen over de plaats van de waterschappen en de toekomst van het bestel in Nederland.  Ik heb dan ook niet alleen maar sikkeneurige opmerkingen over het boek. Dit was het zuur, in de volgende afleveringen volgt ook wat zoet en ga ik meer in op de inhoud.

Geplaatst in boekbespreking, overheid, waterschappen, waterschapsbestel | Getagged , , , | 6 Reacties

Verschillen en overeenkomsten tussen dijken en straaljagers

Op website The Post Online schrijft Barry Smit onlangs:

(…) ik denk dat democratie de minst beroerde manier is om onze samenleving te organiseren, en als ik daar de vruchten van wil plukken, heb ik daar ook een steentje aan bij te dragen. Daarom stem ik voor de Tweede Kamer, de Provinciale Staten, de gemeenteraad en zelfs de waterschappen – al is het mij nog altijd een raadsel wat dat daar de politieke dimensie van is.

Dit laatste is iets wat je vaak hoort. Het schijnt zelfs een van de kernpunten te zijn van het binnenkort te verschijnen boek Oud bestuur, van Theo Dersjant. Zo schrijft ook de redactie van NRC Handelsblad, na de vorige waterschapsverkiezingen:

Er bestaan nu eenmaal geen christen-democratische gemalen, socialistische dijken, liberale kwelders of neoconservatieve sloten.

Het lijkt kennelijk zo logisch, maar klopt dit eigenlijk wel? In de waterschapswereld is de trits belang-betaling-zeggenschap bekend. De waterschappen vormen een autonome bestuurslaag, met een eigen taak. Ze heffen belastingen en alleen daarom al moet er een democratisch gelegitimeerd bestuur zijn, dat namens de belastingbetalers beslist over de uitgaven. No taxation without representation is een motto dat rond 1750 nog een heel volk op de been bracht en leidde tot de Amerikaanse Revolutie.

En het argument dat er geen christen-democratische gemalen, socialistische dijken, enzovoort, zijn? Dit wordt er altijd bijgehaald als het om waterschappen gaat. Maar kun je precies hetzelfde niet zeggen van alle bestuurslagen?

Een paar heikele punten op nationaal niveau zijn de aanschaf van de JSF-straaljagers, gedoe met Fyra-treinen, de aanleg van een verbindingsweg tussen rijkswegen A13 en A16 en deelname aan vredesmissies. Voor hetzelfde geld roep ik nu:

Er bestaan nu eenmaal geen christen-democratische straaljagers, socialistische treinen, liberale snelwegen of neoconservatieve vredesmissies.

Wat is het verschil met het eerder aangehaalde citaat van de redactie van NRC Handelsblad? Wie het weet, mag het zeggen. Ik ben oprecht benieuwd.

Geplaatst in politiek, waterschappen, waterschapsbestel | Getagged , , | 5 Reacties

Geen starre structuren maar flexibele netwerken

De op deze site al vaak geconstateerde veranderingen beginnen steeds vaker door te dringen in uitspraken van gevestigde bestuurders. Zo spreekt bijvoorbeeld de burgemeester van Den Haag over samenwerking tussen gemeenten in een metropoolregio:   

We moeten, zegt Van Aartsen, in Nederland leren om met flexibele bestuursmodellen te werken. Niet weer een nieuwe tussenverdieping in het huis van Thorbecke, maar een resultaatgericht netwerk.

Natuurlijk zijn hier nog wel enige kanttekeningen bij te plaatsen. Zo lijkt het er wel een beetje op dat men het nieuwe tijdperk eerder in woorden dan in daden omarmt, en dat men hierover spreekt als het goed uitkomt, bijvoorbeeld om (in de woorden van Van Aartsen zelf) ‘verworvenheden uit het verleden bestuurlijk veilig stellen.’ Daarbij draait het een beetje om een machtsstrijd tussen de grote gemeenten Rotterdam en Den Haag contra de provincie.

De toegenomen internationale concurrentie tussen steden vormt de belangrijkste drijfveer. Daarnaast is er de frustratie over de aanhoudende onmacht van de Nederlandse overheid om voor grootstedelijke gebieden bijdetijdse bestuursvormen te ontwikkelen. Dan doen we het maar zelf, dacht men in de stedelijke gebieden.

Toch denk ik dat we deze eerste signalen, ondanks de kanttekeningen, positief moeten opvatten. Het lijkt erop dat er echt een kanteling op komst is.  

Wat ook opvalt een de metropoolregio’s is het open karakter, het zijn geen in beton gegoten overleggen.

De analyse is goed:

Stedelijke metropolen zijn in onze tijd de brandpunten bij uitstek van innovatie en nieuwe welvaart. (…) Alles draait om interactie, om ontmoeten en zaken doen met elkaar.

Het gaat om een strategie, gestoeld op ‘soft power’, zo staat in het stuk.

De openheid en de flexibiliteit van het netwerk vergemakkelijkt groei of krimp, al naar gelang de ontwikkeling.

Al met al zijn het positieve signalen, die hoop geven op een vlotte transitie naar een flexibelere, duurzame samenleving.
transitie

© Jeroen Louis, 13 mei 2013

Bronnen:
Tekst: ‘Opzij voor metropolis’, door Peter Nieuwenhuijsen, Binnenlands Bestuur, nummer 7 jaargang 2013.
Plaatje: Dia uit presentatie Jan Rotmans.
Geplaatst in duurzaamheid, overheid | Getagged , , | 1 reactie

Transitie en de overheid

De laatste uitzending van het televisieprogramma Tegenlicht (Vpro) op 15 april 2013 was gewijd aan de transitie, zoals uitgedragen door professor Jan Rotmans. Voor de mensen die geen tijd hebben om de uitzending te zien, en voor mezelf, om te onthouden, heb ik hieronder de voornaamste uitspraken genoteerd. De meeste zijn letterlijke citaten van Jan Rotmans.   

‘We leven niet in een tijdperk van verandering, maar in een verandering van tijdperk.’

‘In een complexe systeemwereld is een crisis eigenlijk hét moment waarop je de deuren en ramen opent. Dus voor een complex systeem is een crisis een feest, want dat betekent dat de ingesleten patronen en de vast gebaande paden worden opengebroken.’

‘Of het systeem slaat een andere richting in en het past zich aan aan de nieuwe werkelijkheid, of niet: dan sterft het af.’

‘Als het erom gaat spannen, worden we heel creatief. Elke transitie gaat gepaard met strijd, of je het nu wilt of niet. Het gaat namelijk om een machtsverschuiving. Bestaande macht schiet in een kramp, vanuit controle en beheersing.’

Er ontstaat een beweging van onderop, van friskijkers, dwarsdenkers en kantelaars. Deze worden eerst uitgelachen, dan genegeerd, vervolgens serieus genomen en dan tegengewerkt.

‘De nieuwe wereld die we aan het creëren zijn wordt niet meer ingericht op die oude systeemwaarden van doelmatigheid en efficiëntie.’

Jan_Rotmans‘Meer dan ooit is de overheid nodig. Alleen, een ander soort overheid. De overheid moet echt gaan faciliteren. Er zijn nog steeds heel veel belemmeringen voor die beweging van onderop, voor die burgers. Die moeten allemaal worden weggenomen. De overheid kan helpen met het vormen van coalities, partijen  bij elkaar brengen. De overheid kan helpen met het ontwikkelen van slimme financiële arrangementen. Maar de overheid moet niet zelf organiseren, maar zorgen dat de burgers het organiseren. Dat is de faciliterende overheid. Dat is wat anders dan een terugtrekkende overheid. Die overheid moet heel proactief zijn.’

We hebben (in de sfeer van de ruimtelijke ordening) regelluwe of regelloze zones nodig. Verder moeten we het water op. De directeur van de RDM Campus gaf als voorbeeld een afvalwaterzuiveringsinstallatie: die activiteit zou je heel goed op het water kunnen uitvoeren.

Tot slot enkele trends die in het programma werden genoemd:

Jan Rotmans gaf aan dat de consument langzaam maar zeker prosument wordt. Een kruising van producent en consument. Mensen gaan bijvoorbeeld hun eigen energie opwekken. Dit gebeurt dan in lokale gemeenschappen: dat noemt Rotmans glocalisering.

De laatste trend, die hier op dit weblog ook al vaak is gesignaleerd, is dat er een verschuiving komt van manager naar professional. Dat werd in Tegenlicht geïllustreerd door een kleinschalige zorginstelling. Directeur Jos de Blok:

‘Wat wij nu eigenlijk laten zien is dat vakmensen heel goed hun eigen organisatie kunnen runnen. En sterker nog, hun eigen buurt kunnen runnen. En al de netwerken die daarbij nodig zijn zelf kunnen onderhouden. Dus eigenlijk is daarmee het management in de rol van een aparte functie overbodig geworden.’

Bekijk hier de uitzending, met allerlei achtergrondinformatie.

© Jeroen Louis, 18 april 2013

Geplaatst in duurzaamheid, management, overheid, visie | Getagged , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Bij de overheid draait het te veel om eigen wereld

Interessante uitspraken van Martijn Leisink, een jonge wethouder in Arnhem in Binnenlands Bestuur deze week:

Wij hebben als instituut overheid hard ons best gedaan om ver af te drijven van de werkelijkheid. Het draait te veel om onze eigen wereld. Een oplossing die wij bij de gemeente in alle veiligheid hebben bedacht en die vanuit het referentiekader van experts ook echt de beste is, hoeft helemaal niet de oplossing van een bepaalde samenleving te zijn. Wij kunnen dat wel vinden, maar uiteindelijk doen we het wel voor de samenleving. Geef die samenleving dus de ruimte om, binnen bepaalde grenzen, met suboptimale oplossingen te komen.

Hiermee slaat Leisink de spijker op z’n kop. Het blijft wonderlijk om te zien hoe moeilijk dit te begrijpen is voor bestuurders en vooral ambtenaren. Bij deskundigen ontstaat vaak een soort tunnelvisie, waarna ze zich niet meer kunnen voorstellen dat hun oplossing niet met gejuich wordt ontvangen. ‘Het wordt niet goed uitgelegd, ze snappen het zeker niet. Laten we het nog een keer héél eenvoudig uitleggen,’ is dan vaak de reflex.

Maar niet alleen bestuurders en ambtenaren moet veranderen. Ook andersom, vanuit de samenleving richting de overheid leven verkeerde verwachtingen.

vrachtwagenBurgers verwachten van alles van de gemeente, die het tegelijk altijd verkeerd doet. De gemeente intussen wil zich onmisbaar maken en blijft zich overal mee bemoeien. Martijn Leisink: Het is een zeldzaamheid dat de gemeente zegt: u kunt het toch zelf regelen? Ik had laatst een mevrouw op het spreekuur, die vertelde dat vrachtwagens dagelijks naar een bouwterrein reden juist terwijl op dat moment de nabijgelegen school openging. Konden die vrachtauto’s niet een uurtje eerder gaan rijden? Ik vroeg: ‘Wat zei de aannemer toen u dat voorstelde?’ Ze had niet gebeld. ‘En ik ga ook niet bellen’, was mijn antwoord. ‘Waarom komt u bij mij als eerste redmiddel? Wat let u om zelf actie te ondernemen?

Een verfrissende kijk. Zo zouden meer bestuurders moeten reageren.

© Jeroen Louis, 15 april 2013

Bron: ‘Kijken onder de motorkap’, door Martijn Delaere, Binnenlands Bestuur, nummer 7 jaargang 2013.
Geplaatst in overheid | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Hoe stel je een team samen?

In Het FD van 8 april 2013 stond een lezenswaardig vraaggesprek met Abel Slippens van Sligro, opgetekend door René Bogaarts. Een citaat:

napoleonIn een biografie over Napoleon las Slippens dat deze zijn leger indeelde in mensen die slim en energiek waren, slim en lui, stom en energiek, en stom en lui. ‘Bij een bedrijf is het net zo. Degenen die slim en energiek en stom en energiek zijn, moet je zien te houden, van de anderen moet je proberen af te komen’, zegt hij.

‘Zelf deel ik mensen ook in in mensen die leren, in vechters, in wijs geworden mensen, in mensen tot dertig jaar, tussen dertig en vijftig, en ouderen. Een team is goed als het 50% vechters heeft, 25% lerenden en 25% wijs geworden. Albert Heijn opende ooit jeugdfilialen, met alleen jongeren. Dat werkt natuurlijk niet. Zelf heb ik enige tijd geleden een juweliersketen gekocht, Siebel. De gemiddelde leeftijd is er 57. Als je daar wilt reorganiseren, lukt dat bijna niet.’

In het artikel staan meer interessante uitspraken, bijvoorbeeld over vertrouwen op je intuïtie. Aanbevolen leesvoer.

© Jeroen Louis, 9 april 2013

Geplaatst in management | Getagged , | Een reactie plaatsen

Ambtenaren als robots?

Tijdens het onlangs gehouden congres Masters of Management, georganiseerd door de AOG School of Management stelde Philip Wagner, consultant en verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen, dat de hoogtijdagen van het klassieke management achter ons liggen.

De geïsoleerde management functie is voorbij, managementcompetenties
worden geïntegreerd in het professioneel handelen.

De klassieke managementfunctie is gecreëerd in het industriële tijdperk, dat ten einde loopt. Ook Menno Lanting schrijft in zijn nieuwe boek De slimme organisatie dat we afscheid gaan nemen van de hiërarchische organisatie. De boodschap is dat het zwaartepunt verschuift van managers naar professionals.

Het is daarom zorgwekkend om te zien dat Alex Brenninkmeijer (de Nationale ombudsman) stelt dat juist de positie van de professional bij de overheid steeds meer in het geding is.

Mijn belangrijkste diagnose rond het functioneren van ambtenaren is dat zij steeds meer in de rol van robot worden geduwd en dat hun denk- en handelingsvrijheid onder druk staat.

Brenninkmeijer schrijft verder dat hij zich, zeker in tijden van reorganisatie, kan voorstellen dat sommige ambtenaren terughoudend zijn om gevoelens van twijfel te uiten of buiten de gebaande paden te treden.

Gestrande olietanker bij Vlissingen.

Gestrande olietanker bij Vlissingen.

Dat is een alarmerende constatering, die elke overheidsbestuurder of –leidinggevende zich zou moeten aantrekken. Vooral nu de tijden zo snel veranderen en, zoals Menno Lanting het zo mooi zegt, de oudere organisaties als logge olietankers links en rechts worden ingehaald door de ranke speedboten van nieuwe, jonge bedrijven.

 

© Jeroen Louis, 8 april 2013 (© foto ANP)

Bronnen:
Philip Wagner, presentatie #MOM13
Alex Brenninkmeijer, column van 5 april 2013
Menno Lanting, De slimme organisatie, 1e druk, februari 2013
Geplaatst in overheid | Getagged , , , | 4 Reacties

De nieuwe politieke arena

Het is in deze tijd niet moeilijk om een weblog te vullen met aanwijzingen voor de verandering in de verhouding tussen overheid en burger, en de overgang van het industriële- en informatietijdperk naar de tijd van netwerken, ideeën en transformatie.

Gisteren zette cultuurpsycholoog Jos van der Lans zijn essay online dat eerder verscheen in De Groene Amsterdammer van 28 maart 2013. Het stuk heet ‘De stad als branieschopper’ en gaat, naar aanleiding van het werk van de Amerikaanse politicoloog Benjamin R. Barber, over de verschuiving van de macht van de staat naar de stad.

 …het visionaire vloeit weg, de legitimatie brokkelt af, het vertrouwen van burgers in de nationale staat slinkt. In feite is elk westers land inmiddels zwanger van Italiaanse toestanden. Verreweg de meeste burgers hebben geen idee meer waar de rijksoverheid eigenlijk voor staat, behalve voor gekissebis, bureaucratische rompslomp, blauwe enveloppen en inpopulaire maatregelen. Er is geen opbouwend beeld meer aan verbonden, het is een perspectiefloos beheersinstituut geworden, een noodzakelijk kwaad. Wie mensen spreekt die dagelijks met publieke taken in de samenleving in de weer zijn en je hoort overal hetzelfde mantra: de rijksoverheid staat in de weg, we hebben er last, de staat moet loslaten.

De oplossing wordt ook in deze visie gedreven door het internet, sociale media en verandering van onderop.

De grenzeloosheid van de netwerksamenleving maakt, aangedreven door de organiserende kracht van de informatietechnologie, verbindingen en uitwisselingen mogelijk waarvoor geen overheid meer hoeft te bemiddelen. In die dynamiek is de nationale overheid een log instrument geworden, met beleidsinstrumenten die in de virulentie van de moderne tijd traag en bot zijn.

Jos van der Lans fileert in zijn essay haarscherp de koers van de rijksoverheid, maar ziet tegelijk ook hoopvolle ontwikkelingen:

Er spoelt een golf van initiatieven door het land waarin burgers in wijken en buurten voorzieningen over nemen, publieke taken oppakken en sociale ondernemingen starten. (…) Het wemelt van de burgerinitiatieven waarin mensen samen iets willen bereiken. Voor de financiering oriënteren ze zich al lang niet meer op rijkssubsidieregelingen of overheidsprogramma’s, maar mobiliseren ze geldbronnen via crowdsourcing-sites, sociale media en creatieve verbindingen met het lokale bedrijfsleven.

Door de bezuiningen bij het Rijk schuift de regering door middel van de decentralisaties veel taken door naar de lagere overheden, die het nu moeten opknappen voor minder geld.

En warempel, in Leeuwarden, Zaanstad, Eindhoven, Enschede, Arnhem, Nijmegen, en in tal van andere steden staan er bestuurders en wethouders op die een idee hebben, die ambitie tonen, die de basis leggen voor nieuwe effectieve vormen van sociale interventie, die de bureaucratie een halt toe willen roepen, die organisaties met een visie om tafel roepen, die de kiemen leggen van nieuwe vaak kleinschalige, buurt en wijkgerichte sociale arrangementen, waarin niet alleen professionals de dienst uitmaken, maar ook burgers en hun sociale netwerken een rol kunnen spelen. (…) geen institutioneel gezever over tot waar nu iemand wel of niet verantwoordelijk is, maar gewoon samenwerking.

De overgang is dus gaande. Shift happens! Maar zoals altijd zal er weerstand komen vanuit de oude wereld:

Ze zijn eigenlijk nog maar net begonnen. En ze hebben nog een lange slag te gaan, want de erfgenamen van het oude verzorgingsstaatdenken, de bestuurders van de instituties zullen zich niet zonder slag of stoot overgeven aan de nieuwe lokale politieke aspiraties. Zij zullen zich zo veel mogelijk onttrekken aan de tentakels van de stedelijke bestuurders, zij zullen moord en brand schreeuwen en voorspellen dat de sociale wereld vergaat, sterker ze zullen hun oude Haagse trawanten te hulp roepen. Maar helpen zal het niet. Uiteindelijk zullen zij zich moeten verstaan met de centra waar de macht is neergedaald en de instituties hun dienstbaarheid voor burgers zullen moeten herontwerpen: de stedelijke arena.

Het goed geschreven essay van Jos van der Lans is boeiend en zet aan tot nadenken. Regie van bovenaf, zoals de geforceerde vorming van landsdelen door minister Plasterk, past niet in de nieuwe tijd van wisselende netwerken. Gedwongen fusies en schaalvergroting zijn oude begrippen. Het gaat juist om de menselijke maat, kleinschaligheid, lokale initiatieven.

sticker bloemenEen leuk voorbeeld van een initiatief dat wél past in de veranderende tijd is het project ‘Tegel eruit, groen erin’ van de gemeente Rotterdam en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard voor een klimaatbestendige stad.  

Een overheid die niet dicteert, maar faciliteert en mensen verleidt en inspireert. Hopelijk is dat de toekomst.

© Jeroen Louis, 5 april 2013

Geplaatst in duurzaamheid, overheid, politiek, visie | Getagged , , , , , , | Een reactie plaatsen

Politieke nota’s veranderen de wereld niet

Eerder deze week schreef ik dat ook de gevestigde orde nu kennelijk doorkrijgt dat de overheid zich moet aanpassen aan de veranderende tijden. Vandaag werd dit bevestigd door Doekle Terpstra, 57 jaar en toch ook wel te beschouwen als een lid van het establishment.

Op welingelichte kringen.nl plaatste hij een column met als titel ‘Overheid vertrouwt ijverige burger niet. Alle creativiteit, innovativiteit wordt doodgeslagen.’  

Politieke nota’s veranderen de wereld niet, burgerparticipatie doet dat wel. En die zin is de samenleving fundamenteel aan het veranderen. Meer en meer komen er initiatieven van burgers zoals in Sneek. Mensen “doen zelf” en willen minder afhankelijkheid van een betuttelende overheid. Ze willen een faciliterende overheid.

Terpstra vervolgt:

De politiek zal moeten inzien dat het karakter van democratie aan het veranderen is. Het uitbrengen van een stem, als democratisch recht, een keer per vier jaar, gaat plaats maken voor steeds meer lokale participatie door burgers zelf. Het karakter van democratie gaat alle nota’s over “loslaten” ten spijt onafhankelijk van de politiek onvermijdelijk en onafwendbaar verschuiven naar doe-cratie.

Vandaag is ook het jaarverslag over 2012 van de Raad van State gepubliceerd. Wedden dat ik ook daar mooie voorbeelden van veranderende tijden ga vinden?

© Jeroen Louis, 4 april 2013

Geplaatst in overheid, politiek | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Twee werelden

xOnlangs kwam het rapport uit van de commissie ‘Project X’, die onder leiding van Job Cohen onderzoek deed naar rellen in het Groningse plaatsje Haren in september 2012. Net als in het jaarverslag van de Nationale ombudsman, staan ook  hierin enkele interessante observaties over deze tijd en relatie tussen de overheid en de burger (al moet ik zeggen dat de ombudsman taalkundig en stilistisch heel wat vaardiger is dan Cohen en co, maar dit terzijde) .

Aan de ene kant verwacht het publiek dat de overheid voor de openbare orde en veiligheid zorgt. Aan de andere kant verwacht het dat er voldoende ruimte voor eigen initiatief en creativiteit bij de burgerij is. Vrijheid en veiligheid – dat is het paradoxale product dan men van een moderne rechtstaat (sic) verwacht.

De huidige tijd kenmerkt zich steeds meer door ambiguïteit. We moeten leren omgaan met paradoxen. Als zelfs de commissie Cohen dit constateert, kunnen we misschien stilletjes aan wel concluderen dat dit inzicht inmiddels gemeengoed is geworden!

Gegeven dit paradoxale verlangen zal een verstandige overheid er alles aan doen dat haar beleid niet één van beide kanten verabsoluteert. Zij zal dus niet garanderen dat er nul risico is, dat er volledige controle bestaat en dat alle regels voor honderd procent toegepast zijn. Maar zij zal evenmin de indruk willen wekken dat er rechteloosheid bestaat, dat er geen toezicht of handhaving is en dat men alle controle loslaat. Ze zoekt naar een beleid dat op een juiste balans tussen vrijheid en veiligheid, het spel en de regels, de wet en het leven berust.

De commissie duikt nog iets dieper in de paradox:

Een aantal ontwikkelingen maakt dat het vinden van die balans niet eenvoudiger wordt. Er zijn in Nederland inmiddels veel mondige burgers. Ze zijn ondernemend of innovatief, stellen zich assertief op en storen zich aan bepaalde regels van de rechtstaat en haar instellingen. Zij dringen als het ware op meer speelruimte aan. Tegelijkertijd neemt onze acceptie van risico’s af terwijl de behoefte aan controle en verantwoording groot is. Dat brengt als vanzelf de tendens tot meer en preciezere regels teweeg, een ontwikkeling die juist weer in de weg staat aan de behoefte tot ruimte en vrijheid.

Verder maakt de commissie interessante opmerkingen over het samenspel tussen burger en overheid:

Maak gebruik van de kennis, inzet en expertise van burgers. Die ligt vaak op straat, die valt zo op te rapen. Dat geldt ook, en misschien nog wel in het bijzonder voor de expertise van jongeren. Juist nu, nu de sociale media zo’n invloed hebben in het leven van jongeren, terwijl ouderen dat maar mondjesmaat in de gaten hebben, is die expertise reuze nuttig.

De twee werelden, waaraan de commissie in de titel van het rapport refereert, betreffen de wereld van de sociale media en die daarbuiten:

Haren laat zien hoe jong en oud ook werkelijk twee werelden waren. Jongeren voor wie sociale media een normaal onderdeel van het leven zijn, ouderen die vaak geen idee hebben wat zich daar afspeelt. (…) De mobilisatiekracht en het tempo van sociale media maakt het des te noodzakelijker om die werelden bij elkaar te brengen.

De commissie Cohen hinkt nog wel op twee gedachten: aan de ene kant concludeert men dat  de omgeving voor de overheid niet meer te sturen en te beheersen is, maar tegelijk raadt men aan om als overheid te gaan interveniëren op de sociale media, met als doel alsnog de regie terug te pakken.

Verder ben het niet eens met de conclusie van de commissie dat de twee werelden gelijkstaan met jongeren en ouderen, alsof alleen jongeren sociale media omarmen en ouderen nog allemaal digibeet zijn.

Het positieve is dat ook de gevestigde orde nu kennelijk doorkrijgt dat de overheid zich moet aanpassen aan de veranderende tijden. Ten eerste spelen sociale media daar een belangrijke rol in en ten tweede moeten we leren omgaan met paradoxen. Als bestuurders en beleidsmakers deze lessen uit het rapport van commissie Cohen oppikken, hebben de rellen in Haren toch nog iets goeds voortgebracht.

© Jeroen Louis, april 2013

Geplaatst in overheid | Getagged , , | 1 reactie