Van rups naar vlinder met Jan Bommerez

‘Ik zal in deze sessie enkele inzichten delen opgedaan op mijn eigen levenspad. Neem mee wat je raakt en laat de rest voor wat het is,’ zo begon de middag met Jan Bommerez op 30 maart 2013 in Rotterdam.

De bio van Bommerez op managementboek.nl luidt: ‘Jan Bommerez (België, 1951) woont in Californië. Hij werkt hoofdzakelijk met management teams en directieteams. Hij spreekt regelmatig in Europa op congressen en voor organisaties als KPN, Pfizer, Philips. Hij is auteur van de bestsellers FLOW en de kunst van het zakendoen en Kun je een rups leren vliegen?

Jan Bommerez is een inspirerende visionair die je op een rustige manier meeneemt aan de hand van citaten en nieuwe en oude inzichten uit de literatuur. Hij doet dit op een lichtvoetige manier, met veel humor.

foto (84)

Een kenmerk van Jan Bommerez is dat hij met beide benen stevig op de grond staat, maar toch een paar slagen dieper gaat dan de gemiddelde managementgoeroe. Het gaat bij Jan Bommerez om de kern van het leven, om loslaten, je openstellen, transformatie. Vandaar de titel van rups tot vlinder.

Het was een bijzonder inspirerende middag. De neerslag van de ‘kijkshop’  van 30 maart kun je de komenden maanden (of jaren) terugvinden in de stukjes op mijn weblog. Ik zou de middag geen recht doen als ik het in een paar zinnen zou samenvatten. Je moet het gewoon zelf een keer meemaken. Een voorproefje kun je hier vinden, of in het gesprek met Martijn van Osch.

Als Jan Bommerez een Amerikaan was geweest, zou je misschien 10.000 dollar moeten betalen om een congres met hem te mogen beleven. Maar gelukkig voor ons is Jan een Vlaming en kun je voor de prijs van een etentje in een gemiddeld restaurant een hele middag (vijf uur lang) met hem meemaken. De prijs is laag, maar de waarde is gigantisch. Van harte aanbevolen!

Schermafbeelding 2013-03-31 om 19.19.52

© Jeroen Louis, 31 maart 2013

N.B. De foto van de vlinder is van Aditi-the-Stargazer op Flickr (klik op de link voor meer prachtige natuurfoto’s). 
Geplaatst in visie | Getagged , , | 2 Reacties

Lessen uit ‘Mijn onbegrijpelijke overheid’

Op 20 maart 2013 ontving de Tweede Kamer van de Nationale ombudsman, Alex Brenninkmeijer, diens jaarverslag over 2012. Het rapport, met de titel ‘Mijn onbegrijpelijke overheid’ is een indringend signaal dat er steeds meer spanning staat op de relatie tussen de overheid en de burger.

De grootste pijn zit bij zaken die te maken hebben met werk en inkomen, en grote instituten als de Belastingdienst en het UWV. Maar het zou te makkelijk (en onterecht) zijn om als gemeenten of waterschappen de schouders op te halen en te denken dat de verwijten alleen andere instanties treffen. Wat zijn de lessen voor decentrale overheden?

logoOmbudsmanDe spanning tussen mens en systeem is een kernthema voor de Nationale ombudsman. Voor de overheid staan ‘systeemwaarden’ voorop, terwijl voor burgers menselijke waarden vaak zwaarder wegen.

 

In de literatuur is het begrip diplomademocratie geïntroduceerd: Nederland is een land dat wordt bestuurd door de burgers met de hoogste diploma’s. De ombudsman zet daar het begrip diplomabureaucratie naast: ‘om onze bureaucratie te begrijpen en ermee om te kunnen gaan, is vanwege de complexiteit van onze overheid een flink opleidingsniveau vereist.’

De grootste problemen waar burgers tegenaan lopen zijn bureaucratie, complexe wetgeving en een gebrek aan empathie bij de overheid. Het verslag is gelardeerd met praktijkvoorbeelden van deze zaken. Een helaas maar al te herkenbaar beeld komt van een hulpverlener:

 Een belangrijke oorzaak is de ambtelijke organisatie waarin niemand verantwoordelijk is voor het geheel, niemand zich ook verantwoordelijk voelt om namens de eigen organisatie klanten goed te helpen en antwoorden te geven, iedereen een stukje doet en vervolgens weer verwijst naar een volgende collega, initiatief niet wordt gestimuleerd, maar beheersbaarheid en controle uitgangspunt zijn. Dat creëert geen durf maar angsthazerij. Een gebrek aan klantvriendelijkheid, behulpzaamheid, integraal oplossend denken en handelen. Een gebrek aan transparantie over waarom zaken die erg simpel zijn soms zes tot acht weken moeten duren. Niet reageren, niet terugbellen. Gewoon slordigheid en zich dan verschuilen achter hoge werkdruk.

De ombudsman pleit voor meer vertrouwen in de burger. Hoewel dit verder niet wordt genoemd, past dit volgens mij heel goed bij de nieuwe tijd (waarover ik hier bijvoorbeeld schreef).

Tot slot breekt Brenninkmeijer een lans voor de menselijke maat. De overheid moet stoppen met het gelijkheidsdenken, dat het vinden van maatwerkoplossingen op basis van gezond verstand bemoeilijkt.

Op basis van het jaarverslag kom ik tot de volgende zeven aanbevelingen voor gemeenten en waterschappen:

  1. Ga na hoe het gesteld is met uitgaande brieven en formulieren: zijn ze begrijpelijk, ook voor mensen met een lagere opleiding en een laag IQ?
  2. Besteed aandacht aan servicenormen en hou bij hoe snel of traag je eigen bureaucratie werkt;
  3. Hou het schrikbeeld zoals geschetst door de hulpverlener (zie citaat hierboven) voor ogen en bedenk hoe je deze cultuur van afschuiven en angsthazerij (die in zekere mate bij elke ambtelijke organisatie heerst) kunt ombuigen;
  4. Blijf alert op tekenen van een gebrek aan inlevingsvermogen in de burger. In bijna alle gevallen waar het fout gaat en er conflicten ontstaan, speelt dat mee.
  5. Organiseer communicatie aan de voorkant: eerst luisteren, dan doen.
  6. Hou steeds oog voor de menselijke maat en hou ruimte voor uitzonderingen in regelgeving en uitvoering;
  7. Onderzoek de suggestie van een speciaal team (de ombudsman noemt het een X-team) dat grensoverschrijdende problemen waar burgers tegenaan lopen kan oplossen en waarvan lessen kunnen worden geleerd voor verbetering van de uitvoering.

Tot slot hoop ik dat deze samenvatting een aansporing is om het jaarverslag ‘Mijn onbegrijpelijke overheid’ zelf te lezen, voor zover dat nog niet is gebeurd. Mogelijk haal je er zelf weer andere leerpunten uit. Het stuk leest vlot weg en is gratis binnen te halen via de site van de Nationale ombudsman.

© Jeroen Louis, 28 maart 2013

Geplaatst in overheid | Getagged , | 3 Reacties

Overheid 3.0

Onlangs schreef ik dat structure follows strategy een verouderde kreet is uit een ander tijdperk. Toch is het niet heel verwonderlijk dat minister Schultz er op de waterschapsdag mee kwam, en al evenmin dat er verder niemand was die daar een vraagteken bij zette. De overheid staat voor een deel nog stevig in het oude tijdperk.

Dit gaat niet lang meer duren. Nog niet iedereen heeft het door, maar we staan voor een overgang, een transitie naar een nieuwe periode. Hierover gaat de onderstaande fraaie presentatie van Sjaak Krombeen, die ik met zijn toestemming overneem.

 

Geplaatst in visie, waterschappen | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

De oorsprong van goede ideeën

Go for a walk; cultivate hunches; write everything down, but keep your folders messy; embrace serendipity; make generative mistakes; take on multiple hobbies; frequent coffeehouses and other liquid networks; follow the links; let others build on your ideas; borrow, recycle; reinvent.

Mooie inspiratie voor de zondag: de filosofie van Steven Berlin Johnson over de oorsprong van goede ideeën, samengevat in een geweldig filmpje van vier minuten.

Het citaat hierboven komt van het boek Where Good Ideas Come From: The Natural History of Innovation van Steven Johnson

Geplaatst in innovatie | Getagged , | Een reactie plaatsen

Structure follows strategy is een gedateerde kreet

Op de Waterschapsdag 2013, afgelopen maandag, ging minister Melanie Schultz in op de structuurdiscussie over het waterschapsbestel.  Of, in heldere taal: moeten de waterschappen worden opgeheven, ja of nee? Veel politieke partijen (onder meer D66, PvdA, GroenLinks, PVV) vinden van wel. De minister zei (te zien in dit filmpje):

Wat mij betreft (…) structure follows strategy en laten we met elkaar zorgen dat wat we hebben afgesproken in het bestuursakkoord en wat we hebben afgesproken op alle andere momenten dat we daar gewoon keihard aan werken om ook te laten zien hoe goed de waterschappen het doen en hoe belangrijk het is, dat zij ook in de toekomst blijven voortbestaan.

Structure follows strategy. Het is een bekende kreet, maar waar komt het ook al weer vandaan en wat wordt er mee bedoeld?

harkjesStructure follows strategy is het aforisme waarmee de Amerikaan Alfred Chandler in 1962 beroemd werd. Als historicus onderzocht Chandler aan de universiteit van Harvard de opkomst van grote Amerikaanse multinationals (onder meer Esso, General Motors en chemieconcern Du Pont) in de eerste helft van de twintigste eeuw. De strategie van deze ondernemingen was gericht op internationale groei en diversificatie van hun producten. Hier pasten zij de structuur van hun concern op aan, door te werken met meerdere internationale divisies. Deze werkwijze had veel succes en de betrokken ondernemingen groeiden uit tot reusachtige, wereldwijd opererende bedrijven. Vandaar: structuur volgt strategie.

Het boek uit 1962 waarin Alfred Chandler zijn onderzoek en conclusies presenteerde werd een groot succes. Overal ter wereld gingen bedrijfseconomen voor multinationals aan de slag met strategie en structuur, in de hoop het succes van de Amerikaanse reuzen te kunnen navolgen. In deze tijd ontstonden de bekende harkjes van de organisatiestructuur, zoals op het plaatje.

De tijd van de groei van de multinationals, de eerste helft van de vorige eeuw, was ook de tijd van het doorvoeren van de theorie van Frederick Taylor. Deze Amerikaanse ingenieur was de eerste die een studie maakte van het optimaliseren van bedrijfsprocessen in fabrieken. Standaardisatie, het verhogen van de efficiëntie en het verlagen van de kosten maakte het mogelijk dat er een tweede industriële revolutie op gang kwam. Het nadeel was wel dat werknemers ongeveer als machines werden beschouwd. Dit is ook de reden dat de tijd van het ver doorgevoerde taylorisme al weer lang achter ons ligt.

Tamelijk snel werd de uitspraak structure follows strategy genuanceerd. Het is niet een wet van Meden en Perzen dat de structuur de strategie volgt. Er is eerder sprake van een wisselwerking. De gekozen structuur heeft ook invloed op de strategie en als je een van de twee wijzigt, moet je altijd kijken naar de gevolgen voor de ander. Een van de velen die dit zag, was de beroemde managementwetenschapper Henry Mintzberg.

De tijden van nu zijn totaal anders dan vijftig tot honderd jaar geleden. De ideeën van structure follows strategy en het taylorisme zijn schoolvoorbeelden van lineair denken. Dit paste goed in het industriële tijdperk. Inmiddels zijn we al weer bijna aan het einde van het informatietijdperk en staan we aan het begin van het ideeëntijdperk (op dit plaatje in beeld gebracht door visionair Jan Bommerez). De huidige tijd kenmerkt zich steeds meer door netwerken.

Structure follows strategy is een denkraam of paradigma uit een andere tijd (zo werd door een professor aan Harvard al geconcludeerd in 1994!). Zaken als emotionele intelligentie, creativiteit, transparantie en verbinding speelden toen nauwelijks een rol. Het dus eigenlijk een beetje vreemd om anno 2013 naar de toekomst te verwijzen met zo’n gedateerde kreet…

Maar ik denk eigenlijk dat Melanie Schultz dat ook niet zo bedoeld heeft. Wat is de betekenis van structuur en strategie in déze tijd? Binnenkort zal ik daar op terugkomen.

© Jeroen Louis, 21 maart 2013

Geplaatst in politiek, visie, waterschapsbestel | Getagged , , , , , | 1 reactie

Hoe presenteer je vernieuwende ideeën?

Niemand is tegen innovatie. Geen bestuurder, directeur of leidinggevende zal hardop zeggen dat je bij hem of haar niet hoeft aan te komen met vernieuwende ideeën. Innovatie wordt van hogerhand gestimuleerd. Toch blijkt het in de praktijk vaak erg lastig om mensen warm te krijgen voor verbeterde technieken en nieuwe werkwijzen. Hoe kan dat?

De vraag is waarom mensen wel creatieve ideeën willen, maar ze in de praktijk toch afwijzen. Dit is de ondertitel van een Amerikaans wetenschappelijk onderzoek naar dit verschijnsel. De resultaten zijn samengevat in een artikel, getiteld ‘The Bias Against Creativity: Why People Desire But Reject Creative Ideas’ (hier te downloaden als pdf).

Ballet uit Le sacre du printemps.

Ballet uit Le sacre du printemps.

Alle baanbrekende ideeën, zowel in de wetenschap als in de kunst, liepen in het begin tegen deze weerstand aan. Dit geldt voor veel zaken die nu gemeengoed zijn,  In een artikel over dit onderwerp staat een mooi voorbeeld van de eerste uitvoering van Le sacre du printemps van Igor Stravinksy in 1913. Dit nu algemeen gewaardeerde meesterwerk werd destijds in de krant beschreven als Le massacre du tympan (De slachting van het trommelvlies).

De mens heeft een diepe, aangeboren neiging om vernieuwende voorstellen naar de prullenbak te verwijzen. De reden: onzekerheid.  Afwijken van de gebaande paden is gewoon een beetje eng. Ongeacht hoe open je staat voor vernieuwing, vrijwel niemand ontkomt hieraan. Het gevoel van onzekerheid bij een idee van vernieuwing is onbewust en de neiging om het daardoor af te wijzen instinctief.

Het heeft te maken met patronen in onze hersenen, die sinds de oertijd zijn ingesteld op zelfbehoud en reproductie. Vernieuwing, maar ook abstracte onderwerpen als ‘duurzaamheid’, doen niets voor zelfbehoud en reproductie.

Innovatie kost vaak wel enige moeite, tijd en geld. En dat geeft nu juist wel een signaal: pijn. De biologische reactie op pijn of gevaar is: vluchten of vechten. Aangezien onze overlevingsdrift is gebaseerd op het vermijden van pijn en het zoeken naar genot (maar vooral dat eerste), wijzen we vernieuwingen instinctief af. Zonder er erg in te hebben, gaan we vervolgens onze reactie rationaliseren. Aan de bestuurstafel of op kantoor worden het vluchtgedrag, de afwijzing, dan netjes verpakt in een of meer van de volgende ‘argumenten.’ Dit alles zit in een ieder van ons en het is heel menselijk.

Gelukkig zijn er oplossingen. Het praktisch nut van deze kennis is dat we ons bewust kunnen worden van onze aangeboren neigingen. Als je een innovatief idee aanbiedt, kun je je presentatie hierop aanpassen en de kans op afwijzing zo veel mogelijk beperken.

Afwijzing is dus vaak niet zo zeer gebaseerd op het voorstel zelf, maar meer op een onbewust gevoel van onzekerheid dat elke innovatie oproept. Het is daarom zaak om die onzekerheid zo veel mogelijk te beperken. Bedenk goed hoe degene aan wie je jouw vernieuwende idee presenteert in elkaar zit en stem je presentatie daar op af. Benadruk vooral de kennis die diegene al heeft over de situatie. Dit geeft herkenning en een vertrouwd gevoel. Hiermee vergroot je de zekerheid en daarmee de kans dat je idee in goede aarde valt.

Een andere manier om het onzekere gevoel van je toehoorder te beperken is het verbinden van je nieuwe idee aan zo veel mogelijk bestaande praktijken. Die hebben hun nut al bewezen en de toehoorder zal daar positief op reageren. Als je dan op het laatst je eigen innovatie noemt, lijkt het bijna alsof degene die beslist het zelf heeft verzonnen. Bovendien wijst ander onderzoek uit dat het lastiger is om nee te zeggen, als je eerst een paar keer ja hebt gezegd (een trucje van verkopers).

Verder kun je uiteraard alle andere manieren om mensen te overtuigen inzetten. Het belangrijkste om te onthouden is dat creatieve vernieuwing  iedereen onbewust een onrustig gevoel van onzekerheid geeft, waardoor zelfs de grootste fan van innovatie de neiging heeft het idee af te wijzen. Wie zich hiervan bewust wordt, kan erop inspelen en zo de kans verhogen dat creatieve voorstellen een kans krijgen. Uiteindelijk is constante vernieuwing en ontwikkeling de enige manier waarop we verder komen.

© Jeroen Louis, 20 maart 2013

Geplaatst in innovatie | Getagged , | Een reactie plaatsen

De toekomst van de watersector: de wijde wereld in!

Deze week verscheen er op WaterForum een interessant artikel van trendwatcher Adjiedj Bakas met de titel ‘Bouw Rijkswaterstaat met hulp van staatskapitalisme om tot watergigant‘. Van dit soort stukken word ik enthousiast! Geen vervelende structuurdiscussie over de bestuurlijke indeling van dat stukje grond ter grootte van een postzegel waarop we wonen, niet vasthouden aan het oude-vertrouwde, geen crisis, maar kansen. Uitgaan van het bestaande en bouwen aan de toekomst. De wijde wereld in!

Net als futuroloog professor Wim de Ridder is Adjiedj Bakas een van die inspirerende visionairs die we nodig hebben om uit de crisis te komen. We kunnen wel blijven kniezen en overal sombere voortekenen zien, maar daarmee komen we niet verder. Vanuit de waterschapswereld reageren met name bestuurders vaak defensief en een tikje conservatief als het gaat om de toekomst (voorbeeld: pdf-bestand). Volgens mij moeten we een sprong durven maken. Het gaat er niet om dat er niets mag veranderen en alles moet blijven zoals het is. Alles verandert. Wat we nodig hebben is een visie, zodat we, ervan uitgaand dat alles verandert, zélf onze toekomst kunnen vormgeven.

3D-boek-Plenty-NL-feb-2013Adjiedj Bakas constateert al een tijdje dat watermanagement een van de pijlers van de wereldeconomie aan het worden is. Hij is niet de enige. Ook superbelegger Jim Rogers zegt dit. Tel daarbij op dat Nederland van oudsher veel kennis van waterbeheer heeft, en het is logisch dat we dit nog veel meer kunnen uitbuiten. Het gaat daarbij  niet alleen om dijken bouwen, maar om de hele ‘natte infrastructuur’ in brede zin, inclusief de offshore-sector. Nederlandse bedrijven lopen wereldwijd voorop met baggeren en ook in de scheepsbouw en de constructie van boorplatforms worden in het buitenland grote orders binnengehaald, zoals momenteel door SBM Offshore uit Schiedam.

Een andere opkomende mega-industrie waarin Nederland een rol zou kunnen spelen is ‘deep sea mining‘. Op de zeebodem liggen gigantische schatten aan mineralen, metalen en gas uit methaanhydraat (een soort ijs). Nederland heeft bedrijven die dit aankunnen én de benodigde kennis en denkkracht. We moeten wel snel zijn. Andere landen, zoals Japan, maar ook de opkomende landen, zitten niet stil en dreigen ons in te halen.

De watersector in brede zin, zoals hierboven geschetst, is een prachtige combinatie van kennis en bouwcapaciteit met mondiaal potentieel. Ik ben het honderd procent eens met Bakas dat hier de kansen liggen voor Nederland. In de jaren ’90 zijn we de verkeerde kant op gegaan door het opblazen van de zeepbel van de banken- en dienstensector. Dit was allemaal lucht, waardoor we nu in de problemen zitten. Door op een slimme manier kennis en hoogwaardige industrie te combineren, kunnen we dit achter ons laten.

OECDDe waterschappen moeten volgens mij inspringen op deze trend. Dat vraagt om een ruime blik. Als we erop blijven hameren dat een waterschap geen internationale activiteiten mag ontplooien omdat dit niet tot de kerntaken behoort, komen we er niet. Ook onze polders kunnen profiteren van de globalisering. Gelukkig worden de eerste stappen op dit gebied gezet. Ik vind het een goede zaak dat internationale samenwerking prominent wordt genoemd op de site van de waterschappen over de toekomst. Ook het onderzoek van de OESO naar het Nederlandse waterschapsbestel is prima.

Is dan alles even geweldig aan het artikel van Adjiedj Bakas? Nee, er zijn wel wat kleine dingetjes. Het woordje ‘staatskapitalisme’ roept bij mij geen goede associaties op. Maar Bakas mengt nu eenmaal graag termen van verschillende ideologieën door elkaar, zie bijvoorbeeld een ander artikel: Marxisme voor de middenklasse. Ik denk dat hij daarmee ook wil aangeven dat oude tegenstellingen van de vorige eeuw, marxisme-kapitalisme, links-rechts, niet meer als zodanig bestaan. Die etiketten moeten we juist loslaten om te kunnen openstaan voor nieuwe vormen.

Verder weet ik niet of de Nederlandse overheid nu echt het voortouw moet nemen en zelf investeren. Ik zie de rol van de overheid eerder op het vlak van het faciliteren. Laat de echte investeringen maar van de markt komen. Aan de andere kant, ook hier geldt dat we ons niet moeten laten inperken door oude etiketten, zoals ik net al zei. Ook de tegenstelling markt-overheid is misschien zo’n beperkend kader dat we moeten openbreken. Waar het om gaat is de geest van het artikel. We moeten kansen zien en grijpen. De watersector kan hierin het voortouw nemen.

© Jeroen Louis, 16 maart 2013

Geplaatst in visie, water, waterschappen | Getagged , , | 2 Reacties

Bestuurders hebben ‘ambtelijke sensitiviteit’ nodig

Er worden steeds hogere eisen gesteld aan lokale bestuurders, schreef ik op 27 februari naar aanleiding van een artikel over politiek-ambtelijk samenspel. Dat stuk was geschreven vanuit het gezichtspunt van de bestuurders. Vandaag zou ik het willen bekijken vanaf de andere kant: vanuit de ambtelijke organisatie.

Op het weblog van Harmen Binnema staat een stuk dat hij schreef met Marike Simons en op 6 februari 2013 werd geplaatst in nrc.next. Het artikel is getiteld ‘Het is niet allemaal de schuld van de ambtenaren‘. Hierin stellen de auteurs dat de ambtenarij en de politiek steeds verder uit elkaar drijven.

De wereld van de ambtenaren is er een van dossierkennis, van steeds complexere inhoud en de lange termijn. De wereld van de politici wordt er steeds meer een van emotie, intuïtie en snel scoren. Het politieke spel lijkt minder en minder om de inhoud te gaan.

mok

Ik herken daar wel iets in. Wat ik vaak zie, is dat ambtenaren zoeken naar een mooie technische oplossing voor een probleem. Dat geldt zeker voor functionele organisaties, zoals de waterschappen. Wat medewerkers soms vergeten, is dat er voor de buitenwereld vaak andere aspecten van belang zijn, zoals de kosten van een maatregel of werk en overlast die mensen ervan kunnen ervaren. Voor de omgeving hoeft het niet altijd een 10 te zijn; in veel gevallen is een 6 goed genoeg, als dat betekent dat de lasten een stuk lager blijven.

Het bestuur is in feite een voorpost van de buitenwereld. Bestuurders kijken vaak op dezelfde manier tegen de dingen aan als de mensen buiten. Het is noodzakelijk dat ambtenaren open staan voor die zienswijze. Ze kunnen er een hoop van leren. Maar dat geldt ook andersom. Soms praten parlementariërs, statenleden, raadsleden en leden van het algemeen bestuur van waterschappen bijna net zo lelijk over ambtenaren als ‘de man in de straat’. Uitgekauwde vooroordelen uit het jaar nul worden dan geëtaleerd. Als er iets fout gaat, of als mensen klagen, hebben de ambtenaren het opeens gedaan.

Het is jammer dat dit gebeurt, want politici zouden beter moeten weten. Ze beschikken over meer informatie dan de gemiddelde Nederlander, en zouden daarom meer begrip moeten hebben voor de ambtelijke organisatie, die vaak moet schipperen binnen een beperkte bandbreedte. Dat inzicht wordt in een enkel geval, als het zo uitkomt, wel eens vergeten door bestuurders. Zeker dagelijks bestuurders, die dichter bij de uitvoering zitten, mogen best opkomen voor hun medewerkers.

Hoe meer politici zich in debatten afzetten tegen hun ambtelijk apparaat, om zich het vege lijf te redden, hoe meer de werelden uit elkaar zullen drijven. En zo wordt het steeds lastiger als ambtenaar te bepalen wanneer je bepaalde informatie aan de bewindspersoon moet geven, of in dit geval: op bepaalde verstrekte informatie opnieuw de aandacht moet vestigen.

Hierdoor ontstaat een schijntegenstelling. Dat is spijtig. Om dit te voorkomen is een zekere politiek-bestuurlijke gevoeligheid van ambtenaren nodig. Het gaat er eigenlijk om dat je je kunt verplaatsen in een ander. Maar wat ik wil zeggen is, dat dit net zo goed de andere kant op geldt: zoals ambtenaren bestuurlijk sensitief moeten zijn, is het hard nodig dat bestuurders openstaan voor wat ambtenaren beweegt en voor wat wel en niet realistisch is. Zoals ambtenaren een zekere bestuurlijke sensitiviteit zouden moeten hebben, mag je ook van bestuurders enige ‘ambtelijke gevoeligheid’ verwachten.

Ze zijn het zelf bijna vergeten, maar ambtenaren en politici hebben veel overeenkomsten. Niet in de laatste plaats hun motivatie: beiden werken keihard voor welzijn en welvaart van dit land, alle vooroordelen die veel Nederlanders tegen beide groepen koesteren ten spijt.

Wat men aanduidt met bestuurlijke sensitiviteit komt in grote lijnen overeen met omgevingsgericht zijn. Het komt neer op een open oog en oor hebben voor de wensen, belangen en onderliggende overtuigingen van mensen. Hier valt zowel voor bestuurders als ambtenaren nog een hoop aan te verbeteren.

© Jeroen Louis, 13 maart 2013

Geplaatst in politiek | Getagged , | 4 Reacties

Loslaten

Vandaag in het fd.weekend, de zaterdagse editie van het Het Financieele Dagblad, een interessant vraaggesprek van journalist Michiel Goudswaard met Charles Esche, directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven. Een paar citaten:

We zijn doortrokken van het idee dat de wereld maakbaar is. (…) We denken maar al te vaak dat we dingen top-down kunnen regelen en de controle kunnen houden. Maar in de praktijk leidt die verwachting tot teleurstellingen. Want we leven in een wereld die gekenmerkt wordt door superdiversiteit, door hybride structuren en door steeds veranderende netwerken.

Met andere woorden, we houden vast aan het oude, dat niet meer passend is voor deze tijd. We kunnen ons vastklampen aan een verouderd paradigma, maar dat gaat niet werken als de omstandigheden veranderen.

We moeten het modernisme loslaten, het blokkeert ons denken over de toekomst. Kunst kan daarbij helpen, want daar speelt de kruisbestuiving van culturen al een grote rol.

Loslaten is hier het sleutelwoord. Er komt pas ruimte voor iets nieuws als je eerst het oude loslaat. Overigens is het nieuwe niet per se nieuw in de zin van ‘nooit eerder vertoond’, maar vaak juist oud in de zin van ‘reeds lang vergeten’. Maar daar gaat het nu niet om. Loslaten. Het betreft niet alleen een wereldbeeld, maar ook en vooral het durven loslaten van controle en beheersing. Je weet nooit helemaal zeker wat er gaat gebeuren. Het is een sprong in het diepe. Maar het kan niet anders als je verder wilt.

all-is-well

In opdracht van het Máxima Medisch Centrum Eindhoven en het Van Abbemuseum heeft Israëlische kunstenaar Aya Ben Ron (1967, Haifa, Israël) het kunstwerk ‘All is well’ gerealiseerd.

Het bovenstaande geldt voor de maatschappij is geheel, voor individuele personen en voor organisaties. Ook voor overheden dus. Bestuurlijke vernieuwing, burgerparticipatie, overheid 2.0, reorganisatie, het nieuwe werken, het zijn allang geen nieuwe termen meer. Dat veranderingen vaak niet van de grond komen, ligt volgens mij aan de moeite die we hebben met loslaten.

Het verleden komt niet terug (…). Ik begrijp de nostalgie, maar we moeten de wereld accepteren zoals die is.

Aanvaarden van wat is, verwachtingen loslaten en met vertrouwen verder gaan. Daarbij kan het helpen om dingen eens van een onverwachte hoek te bekijken. Een hele goede suggestie dus wat mij betreft dat kunst daarbij kan helpen. Een inspirerende visie.

© Jeroen Louis, 9 maart 2013

Geplaatst in visie | Getagged , , , , , | 3 Reacties

Is duurzaamheid een nieuwe religie?

Dagblad Trouw biedt vanaf het begin van dit jaar een podium aan een levendige discussie over ‘het groene geloof.’ Het begon met een artikel van Wilfred van de Poll en Lodewijk Dros, getiteld ‘Heilige plicht. Kleine catechismus van het groene geloof.‘ Aan de hand van citaten, parafrases en ideeën van vooraanstaande mensen uit Nederlands duurzame wereld maakten ze een catechismus.

Een catechismus is een ‘Q&A’ met alle leerstellingen en dogma’s zoals we die kennen de diverse christelijke stromingen, bijvoorbeeld van de Rooms-Katholieke kerk of de Heidelbergse Catechismus van de protestanten. Door het in deze vorm op te schrijven, lijkt het alsof er sprake is van een nieuwe religie, het groene geloof, waarin net als in het christendom sprake is van dogma’s, oftewel onbetwistbare leerstellingen. 

Op 6 maart 2013 organiseerden Trouw en Antropia een discussieavond over dit thema op landgoed De Reehorst in Driebergen. Eerst gaven hoofdredacteur Willem Schoonen en journalist en theoloog Lodewijk Dros een toelichting op het artikel dat de aanleiding vormde voor de discussie. Schoonen vertelde dat hij niet had verwacht dat mensen het betitelen van duurzaamheid als een geloof zo denigrerend zouden opvatten en Dros benadrukte dat hij zelf als theoloog en dominee gelovig is. Hij wilde met het artikel wijzen op de onbedoelde effecten die het hanteren van een religieus getinte terminologie en beeldspraak kunnen hebben.

Klaas van Egmond, hoogleraar Milieukunde en Duurzaamheid in Utrecht en nummer vier op de lijst van de Duurzame 100, verdedigde op welbespraakte wijze de inhoud van de citaten. Hij kon zich wel voorstellen dat milieudeskundigen geen tijd meer willen verspillen aan het weerleggen van kritiek, er is immers geen tijd meer te verliezen. Van Egmond nam afstand van de tegenstelling geloof versus wetenschap. Het zijn aspecten van één geheel en er is niets mis mee het groene denken te beschouwen als een ideologie. Bovendien, als er toch een vergelijking met religie moet worden gemaakt, dan komt eerder de economie in aanmerking, met de effectenbeurs als tempel.

Columnist Sylvain Ephimenco zag het anders en veegde de vloer aan met de ‘Groene Khmer’. Hij betoogde dat het de verkeerde kant op gaat als er op het gebied van duurzaamheid geen ruimte meer is voor twijfel en discussie.

In de zaal ontstond een levendige discussie. De ouderen waren in de meerderheid in Driebergen, maar dit deed niet af aan de emotie en felheid in het debat. Wat in de reacties op de site van Trouw al bleek, werd hier eens te meer bewezen, namelijk dat de auteurs van de groene catechismus een gevoelige snaar hadden geraakt.

Jan Rotmans, een maatschappelijk gedreven wetenschapper, met ruim 200 publicaties op het gebied van klimaatverandering en duurzame ontwikkeling reageerde via Twitter:

Hoewel hij in de zaal nauwelijks bijval kreeg, voel ik persoonlijk het meest voor de opvatting van Frits van Beusekom, bioloog en oud-directeur van Staatsbosbeheer (thans biologisch boer in Frankrijk), die stelde dat het duurzaamheidsdebat wetenschappelijk moet blijven, en dus gestoeld op feiten in plaats van onbetwistbare overtuigingen. Ik denk namelijk dat de tegenstellingen onoverbrugbaar worden als duurzaamheid een discussie wordt tussen twee kampen die als geloofsfanatici tegenover elkaar staan. Men hoeft maar een boek van Maarten ’t Hart over de geloofsstrijd in Maassluis te lezen om te weten dat dit waar is.

Ook Sylvain Ephimenco is die mening toegedaan. Hij voegde er nog aan toe dat een wetenschapper niet per definitie koud en kil hoeft te zijn, maar dat deze best wetenschap kan bedrijven vanuit een warme, diep doorleefde persoonlijke overtuiging. In die zin is er een brug te slaan naar de opvatting van Klaas van Egmond. Ruimte voor een gezonde portie twijfel en tegenspraak lijkt mij echter altijd geboden. Misschien zijn de tegenstellingen wel minder groot dan je zou denken.

Al met al was het een boeiende avond, die werd afgesloten met de prachtige muziek van Arnold Veeman, in het Gronings: De Woarheid. ‘Wat is waar?’ Hoed u voor de mensen die zich die vraag niet meer stellen, omdat ze denken dat ze het al weten. Ook op het gebied van klimaatverandering, milieu en duurzaamheid, of we nu wetenschapper zijn of gelovige, de eeuwige vraag blijft: Wat is waar?

© Jeroen Louis, 7 maart 2013

Geplaatst in duurzaamheid | Getagged , | Een reactie plaatsen